Wie Nicoline spreekt over Jan Steen, ziet haar ogen fonkelen. “Hij was de eerste schilder die ik kende,” lacht ze. “Mijn moeder noemde mijn kamertje altijd het huishouden van Lien Steen.” Als kind dacht ze: wie is die Lien Steen eigenlijk? Tot ze een schilderij zag en begreep dat het tijd was om op te ruimen. Zo werd Jan Steen haar met de paplepel ingegoten – eerder dan Rembrandt.
Later, op de kunstacademie, kreeg ze de opdracht een oude meester te kopiëren. Toevallig (of niet) was er in het Rijksmuseum een grote Jan Steen-tentoonstelling. Nicoline koos voor De Dansles. “Wel eentje zonder honderd personages,” zegt ze nuchter, “je kreeg er tenslotte een cijfer voor.” Maar wat begon als studie, werd persoonlijk. In het schilderij herkende ze haar eigen gezin: een vader, drie jongens, één meisje, een kat en een hond – precies zoals thuis. “Zelfs die stugge vaderfiguur… tja.” De samenstelling klopte wonderwel. Alsof Jan Steen even had meegekeken in haar jeugd.
Dat kijken – dáár zit volgens Nicoline zijn genialiteit. Jan Steen is een ‘veelvraat’. Hij ziet alles. Niet alleen de hoofdpersonen, maar ook wat er in de hoeken gebeurt. Een detail hier, een grapje daar. Misschien voegde hij op het laatst nog iemand toe die nét iets ondeugends deed. “Die neiging heb ik zelf ook,” bekent ze. “Ik wil altijd meer vertellen in één beeld. Het wordt er niet per se mooier van, maar ik kan het niet laten.”
Als voorzitter van de Kunstweek Warmond – waarbij de Dorpsstraat jaarlijks verandert in één langgerekte galerie – ademt ze kunst. Al zestien jaar is ze betrokken, vanaf het eerste uur. Warmond en Jan Steen horen voor haar vanzelfsprekend bij elkaar; het huisje van Jan Steen zit zelfs in het Warmondse volkslied. Het zit in het collectieve geheugen.
Wat mensen van Jan Steen kunnen leren? “Neem het leven niet té serieus. Maar sla ook niet alles in de wind.” Volgens Nicoline zijn er ondanks de overvloedige welvaart van nu nog steeds overeenkomsten met de zeventiende eeuw. Ook al is er zo veel veranderd, de mens is dezelfde gebleven. Met dezelfde humor, dezelfde zwaktes, dezelfde neiging tot rommel maken.
Ze weet het zeker: als ze hem had gekend, waren ze dikke maatjes geweest. En wie weet had hij haar dan stiekem in een hoekje van zijn volgende schilderij gezet.


